Ze zat in groep 1. En ze was jarig en werd 5 jaar.
Voor het eerst mocht ze een echt kinderfeestje geven.
Kaarten tekenen en zoveel mogelijk zelf schrijven.
Ze maakte samen met mama en papa plannetjes voor wat ze zouden gaan doen.

Taart eten en spelletjes doen. Een speurtochtje en weer wat lekkers.
En dan is het zover, haar verjaardagsfeestje.
Ze krijgt van de kinderen cadeautjes.
En aan het eind van het feestje krijgen alle kinderen een klein cadeautje mee naar huis.
Dat zit in een klein papieren tasje.

Als de kinderen weg zijn belt Oma. “Heb je het leuk gehad vanmiddag?”
“Ja maar ik heb geen tasje gekregen van mama en ik was toch jarig?”
Mama springt gauw bij. “Jij kreeg toch cadeautjes van de kinderen?
Daarom kregen zij iets van jou.”
“Maar ik was jarig”, houdt ze koppig vol.

Haar oudere broer springt bij. Hij herinnert zich dat hij zelf 5 werd.
En dat ze spelletjes deden. Hij verloor het laatste spelletje. En dat vond hij gemeen.
Hij weet het nog goed. Hij was jarig en toch had hij verloren.
“Als je later groot ben dan begrijp je het”, troost hij zijn zusje.
Maar die vindt dat geen troost. Ze blijft teleurgesteld.
Mama belooft dat ze het volgend jaar anders zullen doen.
“En nou stoppen met mokken, het was toch leuk vanmiddag?”
Met moeite geeft ze het op.
Maar ze blijft het zich vast, net als haar grote broer, altijd herinneren.

In onze houding tegenover God zijn wij soms net als dat kleine meisje, of haar broertje toen hij 5 werd.
Wij zijn toch zeker belangrijk.
Waarom lijkt het dan alsof de ander meer krijgt dan jij?
Waarom krijgt een ander aandacht van God en lijkt die meer gezegend te worden?

Als voorgangers maak je het mee dat mensen, vaak heel trouwe kerkgangers, verontwaardigd zijn over de manier waarop Gods liefde vorm krijgt in een begrafenisdienst.
Komt hij of zij zomaar in de hemel? Is die ook al veilig in Gods handen? 
Waar doe ik het dan voor? Ik ben altijd trouw geweest, ik heb de benen uit mijn gat gelopen voor de kerkgemeenschap, ik ben opgekomen voor anderen.
En die… die is altijd lauw, afzijdig, afwezig en niet betrokken geweest.
Is pas op het laatst van zijn of haar leven aangehaakt. Nooit gekomen en nu toch een kerkelijke begrafenis?
Ja Gods goedheid treft bozen en goeden, dat weten we wel. Maar toch… Omdat die ander ook Gods liefde mag ervaren, word jij er niet minder van, maar….

Al die fundamentele Christengemeenschappen die geloven en uitdragen dat zij meer door God gezegend worden dan degenen die niet bij hun gemeenschap horen, hebben het wat dat betreft beter.
Zij weten tenminste zeker dat God de goeden (en dat zijn natuurlijk alleen de mensen van hun gemeenschap) beloont.
Zij weten zich de jarige die elk spelletje wint en alle cadeaus van die dag krijgt. Want het moet wel leuk blijven.

Nee, natuurlijk niet. Zo willen wij ons niet de jarige voelen.
Maar toch zit iets van dat gevoel van ‘voor wat hoort wat’ ons behoorlijk dwars.
Hoe leuk het ook is, dat streepje voor, omdat wij de jarige zijn, willen we graag blijven voelen.
Jammer want dat kan ontevreden maken en de relatie met God verstoren.
Het blijft knagen. Als je groter groeit gaat het over.
Wij kunnen ons met elkaar inzetten om dat groeien te bevorderen en te voelen.
Dan blijft het feest een feest.

2 Reacties

  1. Carla Quak

    Wat een treffend verhaal!!

  2. Heleen Boogmans

    Een leven lang leren…

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *