De vergelijking van het leven met een weg heeft oude papieren.
Al in het begin van de Bijbel horen we dat Abram op weg gaat.
Mozes gaat op weg.
Het volk gaat op weg.
Jezus gaat op weg.
De apostelen gaan op weg.

Zo bezien is het eigenlijk helemaal niet zo gek dat de volgelingen van Jezus in het allereerste begin “mensen van de Weg” werden genoemd.

Het leven is een weg.
Of, mooier, een pelgrimstocht.

Ieder mens kiest een eigen weg.
Of, geloviger, ieder mens kiest een eigen weg die tot God leidt.

Nu kan het voorkomen dat je een stukje alleen moet afleggen.
Maar een van de mooiste kenmerken van het christelijke geloof is dat het leven is bedoeld als een gezamenlijke trektocht.

Eigen aan een reis is dat je telkens op andere wegen komt.
Gaandeweg ontmoet je ook telkens andere mensen, andere groepen.
Soms trek je langer of korter samen met elkaar op.

En vroeg of laat komt er een moment waarop de wegen weer van elkaar scheiden.
Het hoort er onlosmakelijk bij.
Het gaan van een eigen weg betekent dat die weg anders kan lopen dan die van anderen.

Op kruispunten komen wegen bij bijeen en uiteen.
Op zo’n punt moet je dan soms afscheid nemen van een medepelgrim.
Je bedankt elkaar voor al het goede dat je aan elkaar hebt beleefd.
Je wenst elkaar het allerbeste voor het vervolg van ieders eigen weg.

Voor reisgenoten is dat geen kwestie van ‘uit het oog, uit het hart’.
Het gezamenlijk is van blijvende betekenis.

Afscheid nemen, zo las ik ooit ergens, is dan ook geen loslaten:
het is een andere manier van vasthouden.

Gebed voor onderweg

God – wij zijn onderweg.
Wij willen U eenvoudig vragen bij ons te zijn.
Open onze ogen voor al het goede.
Maak dat wij zusters en broeders zijn
voor alle mensen die ons vandaag tegenkomen.
Bewaar ons allen in uw zegen.
Amen.

 

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.