Eén van de lessen die ik uit het Bijbelboek Exodus opnieuw leer, is ‘Wat u niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’. Wie het boek leest wordt er meer dan eens aan herinnerd om iemand anders niet aan te doen wat jou is aangedaan.

Het volk vluchtte ooit vanwege hongersnood naar Egypte. Als vluchtelingen waren zij vreemdelingen. Als vreemdelingen werden zij na verloop van tijd als vijanden beschouwd. Met alle gevolgen van dien. Ze werden vernederd, uitgescholden, getreiterd, achtergesteld, uitgebuit, mishandeld en vermoord.

Wel, zegt God, zo zul je dus niet omgaan met vreemdelingen in jullie land. Behandel ze alsof het je landgenoten zijn. “Houd evenveel van hen als van jezelf. Want jullie zijn zelf ook vreemdelingen geweest, toen jullie in Egypte waren. Ik ben de Heer, jullie God.” (Leviticus 19:32).

En in deze Bijbelse context moet dan ook dit gezegd worden:
75 jaar vrijheid kan geen vrijblijvend herdenken zijn. 75 jaar vrijheid kan niet blijven bij alleen gedenken wat toen is gebeurd. 75 jaar vrijheid kan niet alleen betekenen dat wij dankbaar zijn voor al die vrije jaren. 75 jaar vrijheid verplicht ook!
Juist omdat wij weet hebben van het kwaad dat toen is geschied, doen wij dat nu niet! En dus ook: omdat wij nu weten wat er is gebeurd met vluchtelingen die toen niet werden opgevangen, vangen wij vandaag wél vluchtelingen op en behandelen wij hen anders.
“Behandel vreemdelingen zoals je zelf als vreemdeling behandeld wilt worden”, zou Jezus zeggen (Lukas 6:31). Als christenen zijn wij dat aan Jezus verplicht.

En als Nederlanders zijn wij het aan onze vrijheid verplicht: jegens allen die voor onze vrijheid hebben gevochten en zijn gesneuveld.

Dit land, uit wind en water voortgekomen,
dit lage land, gekleurd met groene zomen,
land waar weleer voor vrijheid is gestreden,
bloeien zal het: een vrijplaats voor de vrede.

Heldhaftig, zij aan zij,
werd in een boos getij
de tirannie verdreven.
Land, dat het onrecht keert,
dat ons de vrede leert,
waarin wij mogen leven.

Dit land, waar nooit voorgoed de nacht kon vallen,
is vaste grond, een open huis voor allen;
zo vaak het uit het donker is verrezen,
blijft het een land om waarlijk thuis te wezen.
En vastberaden gaan
wij op de toekomst aan
als goede erfgenamen
van de geschiedenis,
opdat er morgen is
voor allen die hier kwamen.

Dit land dat ademt onder wijdse luchten,
biedt ruimte wie in ademnood moest vluchten.
Hier wordt de vreemde met een naam gezegend,
zoals wij zelf het donker steeds ontstegen.
Als koninklijk beleid
staat de barmhartigheid
boven de poort geschreven.
Nog is gerechtigheid
inzet van alle strijd,
opdat wij zullen leven!

(Lied voor stad en land, geschreven ter gelegenheid van de 4 en 5-mei viering in Amsterdam door Sytze de Vries. Melodie: Psalm 79.)

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *